Voorword n de catalogus Kunstruimte Berlin / Kampen
Bij beeldende kunst gaat het – de naam zegt het al – vooral om het beeld. Desondanks bevatten kunstcatalog als deze meestal een ruime hoeveelheid tekst. Die tekst wordt zelden gelezen en Tijkt vooral bedoeld als ver-pakking, of opvulling rond de plaatjes. Hij is als zaagsel in een porseleinkist, folie om een glossy-maga-zine en meel in een kroket: ondergeschikt en dienend.
Bescheidenheid en relativeringsvermogen leken daarom geboden, dus beperkt deze inleiding zich tot een kijkje achter de schermen, een registratie van feiten die voor derden meestal verborgen blijven, maar die wel de gang van zaken binnen een kunstenaarsinitiatief weergeven.
Want het zijn vaak juist de details, de schijnbare trivialiteiten en petit-histoires die de toon zetten voor een succesvol initiatief en die het karakter en gezicht ervan bepalen, wat weer tot uiting komt in het gevoerde Deleid.
DE RUIMTE IN KAMPEN.
Nadat de eigenaar had aangekondigd dat de vorige ruimte
– een riante verdieping boven het hoofdpostkantoor met uitzicht op de IJssel en het middeleeuwse centrum – moest worden verlaten, werd er fanatiek gezocht naar Teegstaande panden. Een ongebruikt benzinestation, een verlaten dansschool en twee monumentale poorten kwamen in aanmerking, maar het werd een vleugel in een school, het Almere College, die door de Gemeente welwillend ter beschikking werd gesteld voor een huurprijs ter hoogte van de door haar geschonken subsidie.
In oppervlakte ging de Kunstruimte er behoorlijk op achteruit, er moest met vierkante meters worden gewoe-kerd. Dankzij vindingrijkheid, geduld en een grote afvalcontainer werd de verhuizing tot een goed einde gebracht en daar zat men dan, aan de rand van de oude binnenstad, met honderden krijsende pubers in een ander deel van het gebouw en een veldje voor de deur waar het gras met duidelijke tegenzin groeide. Deze locatie zou zelfs de meest gelouterde kunstliefhebber zelden tot een – tijdrovende – expeditie weten te verleiden.
Het was niet eenvoudig om een deel van een oude school om te vormen tot een goed geoutilleerde tentoonstel – lingsruimte. Van een voormalige ingangshal, een hoog vierkant tochtgat met twee grote deuren, werd een kan-toor-, vergader-, en computerruimte gemaakt. Toch was dit vertrek sfeervol, vooral door de rijke decoratie van de deurpartij en het plafond, die uit een tijd stamde dat de stucadoor nog niet in de supermarkt via een mobiele telefoon zijn vrouw kon vragen welke pam-pers hij aan moest schaffen voor stucadoor junior.
Naast het kantoor lag de tentoonstellingsruimte, bestaande uit twee doorgebroken klaslokalen met grote ramen, die veel licht binnen lieten en goed zicht gaven op het grasveldje en de laatste, openbare, fase in het voedselverteringsproces van diverse honderassen. Een deur in de zijwand leidde naar een langwerpige corridor met een verdieping die – vaak tegelijkertijd – als op-slagruimte, keuken en logeerplaats voor gasten wird gebruikt. In de buitenwand van die ruimte werden op een gegeven moment een t.v. en een recorder geplaatst: zo onstond de videowand waar tijdens de expositieperioden video’s konden worden getoond. In de ruimte ervoor, aan de toeschouwerskant van de videowand dus, werd een aantal stoelen neergezet. Vooral na afloop van de vergade-ringen, wanneer er binnengekomen banden werden bekeken, was het er sfeervol toeven.
DE RUIMTE IN BERLIJN.
Alsof één vestiging niet voldoende was trotseerde een dappere delegatie de winterse vrieskou van 1995 om in de jonge hoofdstad Berlijn een onderkomen te zoeken voor een buitenlandse dependance. Geholpen door een flinke dosis alcohol om op temperatuur te blijven. lukte dat wonderwel. Er werd een deel van een pand gevonden aan een hofje met een prachtige bakstenen toe-gangspoort. Het genotmiddel bleek het kritisch beoorde-Tingsvermogen nauwelijks te hebben aangetast: de buurt rond de Kunstruimte ontwikkelde zich in de jaren daarna tot het culturele hart van Berlijn-Mitte en werd een echte A-lokatie. Ook bij dit nieuwe onderkomen moest eerst nog wel het een en ander gebeuren. Grote gaten zaten rond de sponningen van de ramen. Muren toonden lagen die de hele geschiedenis van het bouwwerk blootlegden en de vloerbedekking bestond grotendeels uit stof en afval. Er was electriciteit, maar elk beroep daarop werd beantwoord met een vonkenregen, waardoor ook bij de medewerkers de stoppen geregeld doorsloegen.
Op rommelmarkten in de buurt werden een keukentje en een set gereedschap bij elkaar gesprokkeld. Vulmiadel en cement moesten soms over kilometers afstand te voet worden aangevoerd. Het loonde echter de moeite. Na diverse werksessies was de ruimte bruikbaar.
De schaal van de drie afzonderlijke kamers die Kunst-ruimte Berlijn vormden verschilde nogal van die in Kampen. Ze leidde echter tot specifieke oplossingen die anders nooit zouden zijn verzonnen en die mede bepalend waren voor het eigen karakter van de Berlijnse exposi-ties. De ‘half-affe’ sfeer die in het begin was aangetroffen bleef gehandhaafd. De Kunstruimte werd een opvallend “fremdkörper’ tussen de smetteloze toonzalen
waar de witkwast als scepter werd gehanteerd. Al na enkele openingen was een plaats in de culturele pikorde verworven. Vooral tijdens de zogenaamde “Rundgangen’ wanneer verschillende instellingen de openingen van hun exposities op elkaar afstemden, was het bijzonder druk.
De aanloop werd ook enigszins gestimuleerd door een nieuwsgierigheid naar het Hollandse vakmanschap – grenzend aan meesterschap – waarmee het geschonken bier was gebrouwen.
DE GELDBRONNEN.
Voor niets gaat de zon op, maar ook weer onder. Om een initiatief te laten stralen is geld nodig, steeds meer geld, want één stapje terug doen is moeilijker dan vijf voorwaarts.
Wat jaren terug begon als een low-budget initatief, waar de medewerkers, als het mogelijk was geweest, de bonen voor hun eigen koffie hadden geplukt, ontwikkelde zich geleidelijk tot een dorstige instelling waar de koffie – gebrand, gemalen en verpakt – met kilo’s werd aangesleept.
De eisen stegen naarmate de jaren verstreken, de ambities moesten ook waargemaakt worden. Meer en beter drukwerk was noodzakelijk. Overheadkosten namen toe. De gebruikte computerapparatuur werd geavanceerder en dus uitgebreider. Kunstenaars ontvingen een hogere vergoe-ding. De Berlijndependance kwam erbij, waardoor er actief heen en weer gereisd moest worden, de huurlasten stegen etc..
Omdat de getoonde kunst meestal niet te koop of onverkoopbaar was en de inkomsten uit sponsorgelden en donaties onvoldoende waren, moest het geld uit andere bronnen komen.
Gelukkig is men in dit land, wanneer het kunst betreft, erg blij als iemand een plan of idee heeft dat ook nog uitgevoerd dreigt te worden. Dan is daar meestal wel wat geld voor beschikbaar. Indien de aanvraag daarvoor de dikte van een profielzool heeft en de inhoud na herhaalde lezing nog steeds behoorlijk cryptisch blijkt, is de kans groot dat het verzoek wordt ingewilligd. Zo gingen er heel wat indrukwekkende pakketten de deur uit in ruil voor een gevulde bankrekening.
DE WERKGROEP
Een instelling die als voornaamste doelstelling het tonen van locatiegebonden, niet commerciele, experimentele kunst heeft is niet klaar met de formulering van die doelstelling. Integendeel, dan begint het pas. Er moet een beleidsplan worden opgesteld, dat plan moet worden uitgevoerd en daarvoor zijn uitvoerders nodig.
Die krijg je niet zomaar, want er is geen uitzendbureau voor medewerkers aan kunstenaarsinitiatieven. Bovendien zijn de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden beroerd. Geen salaris, geen auto van de zaak, geen dertiende maand, nog geen kerstpakket. Volgens de maatstaven van de huidige maatschappij moet je dus wel een beetje gek zijn om je tijd daaraan op te offeren.
*Gelukkig waren er altijd weer zulke gekken te vinden.
Vaak kwamen ze uit zichzelf opdagen en hoefden ze niet eens te worden gezocht. De samenstelling van de groep medewerkers evolueerde.
Vaak werd intuftief aangevoeld wanneer het evenwicht qua samenstelling of grootte was zoekgeraakt. Dan werd er naar uitbreiding gestreefd of vertrokken er juist leden. Dat kon zonder problemen, omdat er geen statutaire beperkingen waren voor de samenstelling van de werkgroep. Niemand werd officieel benoemd, desondanks had iedereen stemrecht, ongeacht achtergrond of ancien-niteit. Deze manier van werken vraagt om moeilijkheden.
Een opvallend kenmerk van de Kunstruimte is dat die er nauwelijks zijn geweest. Meningsverschillen, karakter-botsingen en dergelijke werden altijd collectief geab-sorbeerd. Uniek? Geen idee, maar wel bijzonder, zeker gedurende zo’n lange periode. Het verklaart voor een belangrijk deel de kracht van het initiatief, de eenduidigheid naar buiten en het plezier dat er, meestal, vanaf straalde.
De uitvoering van het geformuleerde beleid hield onder meer in dat er op goed gemotiveerde wijze kunstenaars moesten worden gekozen die binnen een in het jaarpro-gramma bepaald thema of motto pasten. Werkgroepleden konden bepaalde kandidaten voordragen of kunstenaars selecteren die door middel van ingezonden documentatie zelf naar een plek binnen het programma hadden ‘gesol-liciteerd’. Vervolgens werd daarover gestemd, bij twijfel of grote onenigheid pas na uitvoerige discussie.
Meestal werd een besluit echter redelijk unaniem geno-men. Veel discussie leidde in de regel tot een afwijzend oordeel. Naarmate de Kunstruimte bekender werd en het aantal aangemelde kandidaten groeide werd de keuze steeds groter maar daardoor niet altijd gemakkelijker.
Een groot deel van dit besluitvormingsproces vond plaats op tweewekelijkse donderdagavondvergaderingen: sociale en inhoudelijke hoogtepunten binnen het Kunst-ruimtesysteem. Na afloop van deze bijeenkomsten werd er altijd langdurig nagetafeld, ter plekke (het geklets in de Ruimte) of in etablissementen elders, terwijl ‘off the record’ bepaalde beslissingen werden besproken, geanalyseerd of bekritiseerd, hetgeen niet zelden leidde tot gevallen van voortschrijdend inzicht met nieuwe gezichtspunten als resultaat.
In Berlijn ontstond een afzonderlijke groep. De samenwerking tussen beide groepen maakte onder meer duidelijk dat moderne communicatiemiddelen niet altijd zaligmakend zijn, dat humor niet overal hetzelfae is en dat bederfelijke waren niet moeten worden verstuurd per Duitse post, maar dat er desondanks toch mooie tentoonstellingen konden worden gemaakt.
het formele bestuur van de Stichting hield zich al die tijd op de achtergrond. Zij stelde zich een paar keer per jaar op de hoogte van de gebeurtenissen, bemoeide zich niet met het artistieke beleid, maar was er vooral om problemen op te lossen. De bestuursleden deden dit met inzet en enthousiasme. Ook voor hen geldt dat het eigenlijk onbegrijpelijk is dat ze daar vrijwillig voor te porren waren, te meer daar hun taak veelal nog ondankbaarder was.
HET RESULTAAT. DE TENTOONSTELLINGEN.
Wanneer exposant, data en titel vaststonden kreeg de vormgever de opdracht een uitnodiging te ontwerpen die bij de sfeer van het project paste – indien gewenst in samenspraak met de exposant. Het was gebruikelijk dat de uitnodiging tevens dienst deed als affiche, hetgeen tot een herkenbare huisstijl leidde, mede doordat er al die jaren met dezelfde ontwerper werd gewerkt.
Het verzendklaarmaken van de uitnodigingen behoorde tot de karakteristieke Kunstruimte-momenten. De traditionele late verzending van het drukwerk werd door de hele werkgroep opgevangen. Iedereen die tijd had vouwde, telde en stickerde, voortgestuwd door koek en koffie, totdat de pakketten de deur uit waren. Meestal zaten er twee weken tussen dit moment en de opening. In die periode hadden de exposanten de tijd het werk te installeren.
De werkwijze verschilde nogal per project. Sommige kunstenaars hadden alles in het atelier voorbereid en kwamen het werk ‘slechts’ brengen en plaatsen. Anderen moesten het nog grotendeels ter plekke maken, niet zel – den met ‘lokaal’ materiaal. De duur van de werkzaamheden in de Kunstruimte zelf varieerde daarom van een middag tot enkele weken. Met sommige kunstenaars werd daardoor een hechte band opgebouwd. Ze overnachtten in de ‘logeervleugel’ ,gebruikten douches en wasmachines van medewerkers, aten met hen mee, bezochten hun stam-kroegen, wisselden recepten uit, en braken borden, glazen en harten. Enkelen kwamen regelmatig terug.
Zo werd er toegewerkt naar het hoogtepunt van elke ten-toonstelling: de opening. Deze vonden meestal plaats op zaterdagmiddagen. Ze liepen uiteen van hangerige bijeenkomsten met een halve zool en een paardekop tot spetterende feesten waarbij de bezoekers elkaar ver-drongen. Een gouden regel was te zorgen voor een duidelijk aanwezige muzikale omlijsting of een niet te vermijden performance. De obligate welkomstwoorden, vaak gelijkend op seculiere preken, werden daardoor overbodig en de tentoonstelling kreeg een duidelijke “kop’ terwijl de ‘staart’ zich vanzelf aftekende als het bier op was. Bovendien werden de bezoekers aangenaam bezig-gehouden.
Onvergetelijk werden de shows van Willie Beckmans die niemand ongeschonden lieten en het concert van The Songs That Cannot Stand, een Berlijnse groep die een geluid produceerde dat bij nader inzien de voornaamste oorzaak lijkt te zion geweest van de ineenstorting van de voormalige afscheiding tussen Oost en West.
HET EINDE. DE TOEKOMST.
Het laatste jaar (1998) van de Kunstruimte verschilde duidelijk van voorgaande jaren. Een belangrijke oorzaak daarvan was de komst van vier vaste werkkrachten. De financiering werd verzorgd door overheidsinstanties die per kwartaal van naam veranderden en bemand (m/v) werden door werknemers die constant bezig leken met een wilde stoelendans en daardoor onbereikbaar waren.
Desondanks was het beschikbaar stellen van vier arbeidsplaatsen een dankbare oplossing, omdat het steeds moeilijker werd om vrijwilligers te vinden die de continuïteit van de Kunstruimte konden waarborgen.
Een gevolg was wel dat taken die eerst door de hele werkgroep werden uitgevoerd nu grotendeels door een Klein groepje werden afgehandeld, wat de betrokkenheid van de niet financieel beloonde medewerkers niet ver-grootte. Dat zij desondanks mee bleven werken was natuurlijk zeer prijzenswaardig, maar ook belangrijk, gezien hun rol in het besluitvormingsproces en hun functioneren als klankbord voor nieuwe ideen, maar vooral als basis voor de toekomst. Want al snel was duidelijk dat drie van de vier betaalde arbeidskrachten maar één jaar aangesteld konden worden en dat de meeste ‘oude’ leden van de werkgroep daarna iets anders wilden gaan doen. In de zomer van 1998 leek de Kunstruimte zijn laatste halfjaar in te gaan. Gelukkig ging de doodsreutel langzaam over in babygemurmel toen er nieuwe plannen werden gelanceerd. Een sluimerend idee voor een virtuele Kunstruimte werd nieuw leven ingeblazen.
Via de Kunstruimtewebsite zullen kunstenaars in de gelegenheid worden gesteld hun werk te tonen. De computerapparatuur en de benodigde know-how zijn voor han-den. De start ziet er veelbelovend uit.
Naast deze activiteit is een nog steeds groeiende werkgroep ‘KRA’ bezig met het formuleren van een eigenzinnig programma voor de toekomst, waarbij naar gedeeltelijke samenwerking met de Kunstakademie wordt
gestreefd. De Kunstruimte zal mogelijk worden gebruikt als gastatelier waarin verschillende kunstenaars op elkaars werk kunnen reageren. Ook zullen personen worden benaderd om tentoonstellingen samen te stellen en gaan er mogelijk kortlopende manifestaties plaatsvin-den: ‘Artitainments’. Verder bestaan er gevorderde plannen om regelmatig een tijdschrift uit te geven dat de activiteiten ondersteund.
Het ziet er dus naar uit dat deze catalogus niet het laatste levensteken van Kunstruimte Kampen zal zijn.
Geraart Westerink
